Toetsing en overgangsnomen

Huiswerk

Leerlingen krijgen regelmatig huiswerk van hun docent. Elke docent zorgt ervoor dat duidelijk is wat er van de leerlingen wordt verwacht ten aanzien van het huiswerk. De docent geeft het huiswerk visueel op in de klas. In de eerste en in de tweede klas zetten de leerlingen het huiswerk in hun agenda. 

Studiewijzer

Om de leerlingen een goed beeld te geven van wat er wekelijks van hen verwacht wordt, maakt iedere sectie voor de bovenbouw een studiewijzer. Deze wordt gepubliceerd op Magister, onze elektronische leeromgeving. Op deze manier weet iedere leerling wat wanneer en op welke wijze van hem verwacht wordt, waardoor er sprake kan zijn van begeleid, actief en zelfstandig leren.

Toetsperioden

Om de ontwikkeling en het leerproces van leerlingen in de gaten te kunnen houden, vinden er gedurende het jaar diverse toetsingsvormen plaats. In de onderbouw gebeurt dit onder andere door middel van repetities, proefwerken, schriftelijke en mondelinge overhoringen, werkstukken en spreekbeurten. In de bovenbouw zijn er vier toetsperioden waarin leerlingen toetsen maken en/of praktische opdrachten uitvoeren. 

Toetsen en opdrachten

Hieronder volgt een overzicht van de verschillende toetsingsvormen waar wij op het HLZ gebruik van maken.

  • Een overhoring betreft de lesstof van een les of van enkele lessen en kan zonder vooraankondiging worden gegeven. Hier geldt geen maximum aantal per dag. Als de leerling afwezig is, is er geen mogelijkheid tot inhalen.
  • Een proefwerk moet minimaal vijf schooldagen van tevoren opgegeven zijn. 
  • Toetsen waarvoor geen voorbereiding nodig is kunnen zonder vooraankondiging worden afgenomen. Dit geldt niet voor de week voorafgaand aan een toetsweek. 
  • Een practicum kan worden opgevat als een diagnostische toets, een overhoring of een proefwerk. De docent maakt dit vooraf kenbaar.
  • Werkstukken en andere opdrachten dienen zeer ruim, maar minimaal vijf dagen van tevoren, worden opgegeven en daarbij in de ELO worden gezet. Leerlingen zijn verplicht zich aan de afgesproken inleverdatum te houden.
  • Bij een werkstuk, praktische opdracht en dergelijke hoort – indien de docent erom vraagt - een volledige procesrapportage en bronvermelding.

Bovenbouwleerlingen weten vooraf hoe zwaar een toets meeweegt in het uiteindelijke rapportcijfer. De docent maakt dit vooraf duidelijk onder verwijzing naar het Programma Toetsing & Afsluiting (PTA). Is uw kind het niet eens met de beoordeling, dan is het mogelijk om bezwaar aan te tekenen. Komen de leerling en de docent er niet uit, dan kan de beoordeling aan de leerjaarcoördinator, of in een enkel geval aan de afdelingsleider, worden voorgelegd.

Toetsen missen en herkansen

We verwachten dat alle leerlingen aanwezig zijn bij de toetsen. Wanneer een leerling onverhoopt een toets mist door geoorloofde absentie moet de leerling de toets op een later moment inhalen. Er is slechts één inhaalmoment en voor inhaalwerk geldt geen maximum van twee toetsen per dag. 

    1. In Magister moet de code INH geregistreerd zijn. 
    2. De leerjaarcoördinator moet toestemming geven om de toets in te halen. 
    3. De leerling maakt met de docent een afspraak om de toets in te halen. De toets moet ingehaald zijn voordat de periode is afgerond. Lukt dit niet, dan wordt er een inhaalmoment georganiseerd in de laatste week voor de toetsweek. 

In de bovenbouw wordt het schoolexamen opgebouwd. Dat betekent dat meerdere toetsen en praktische opdrachten meetellen voor het examencijfer. Wanneer een leerling een examenonderdeel mist door afwezigheid, moeten de volgende stappen gezet worden:

1. De ouder belt uiterlijk een half uur voor aanvang van de toets de afdelingsleider, leerjaarcoördinator of het hoofd van de administratie (mevrouw Hulskamp, T 020-6627983).

2. De ouder schrijft een brief met daarin de reden van de absentie en de naam en het telefoonnummer van de geraadpleegde arts. Als niet aan bovenstaande regels/voorwaarden is voldaan, is de afdelingsleider bevoegd om voor de toets het cijfer 1.0 te (laten) noteren.

Als er voor het missen van een toets geen aanvaardbare reden is of deze niet of niet tijdig is opgegeven, kan de afdelingsleider eveneens besluiten het cijfer 1.0 voor deze toets toe te kennen.

Heeft uw kind een onvoldoende voor een toets, dan heeft het per periode recht op één herkansing, mits de toets herkansbaar is. Inhaalwerk krijgt geen herkansingsmogelijkheid. In de bovenbouw is er na de toetsperiode geen herkansing mogelijk. In het Programma Toetsing & Afsluiting (PTA)  staat meer informatie over de specifieke voorwaarden voor een herkansing. 

Werkstukken

Als leerlingen een werkstuk moeten inleveren, gebeurt dit rechtstreeks bij de docent. Leerlingen zijn er zelf verantwoordelijk voor dat zij over een kopie van het werkstuk beschikken. Wordt een werkstuk waarvoor de leerling een cijfer krijgt niet op tijd ingeleverd? Dan gelden dezelfde regels als bij het niet maken van een toets. Er zijn ook opdrachten waarvoor de leerling geen cijfer of beoordeling ontvangt. Als dit niet op tijd ingeleverd wordt, dan krijgt de leerling een nieuwe opdracht, die groter kan zijn dan de oorspronkelijke. Al het opgegeven werk moet afgerond zijn voor de zomervakantie. De vorm van een werkstuk of opdracht telt mee bij de beoordeling. Onjuiste of geen bronvermelding kan worden aangemerkt als fraude en wordt ook zo behandeld. 

Rapporten

In de onderbouw verschijnen per jaar twee cijferrapporten. Het rapportcijfer is een weergave van het voortschrijdend gemiddelde zoals het op dat moment in magister is berekend op grond van repetities, proefwerken, schriftelijke en mondelinge overhoringen, werkstukken, spreekbeurten en dergelijke. Ook bevat onze rapportage informatie over de leerhouding. Het gaat om houding, inzet en taakgerichtheid. Een rapport waarop cijfers ten onrechte ontbreken, is niet rechtsgeldig.

In de bovenbouw krijgen leerlingen aan het eind van het jaar een rapport. De rest van het jaar is voor ouders en leerlingen het voortschrijdend gemiddelde te lezen in magister.  Daarnaast vinden er drie keer per jaar leerlingenbesprekingen plaats. In de bovenbouw zijn er vier toetsperioden waarin leerlingen toetsen maken en/of praktische opdrachten uitvoeren. De resultaten van alle toetsen, praktische opdrachten en dergelijke bepalen het eindcijfer. De zogenaamde handelingsdelen moeten altijd zijn afgerond met de beoordeling ‘naar behoren’. 

Overgangsnormen

Overgangsnorm onderbouw

Er zijn drie criteria waar een leerling in de onderbouw aan moet voldoen:

maximaal 1 onvoldoende-punt voor de kernvakken;
maximaal 3 onvoldoende-punten voor alle vakken;
minimaal een 6,0 gemiddeld voor alle vakken (het gaat hier om afgeronde cijfers volgens de eindexamenregeling, i.e. 5,49 wordt een 5,0)

Bij voldoen aan alle drie de punten: bevorderd
Bij voldoen aan twee van de drie: bespreekzone
Bij voldoen aan 1 of minder: afgewezen.

Bespreekzone

Als een leerling cijfermatig in de bespreekzone zit, dan wordt de leerling besproken en wordt er een beslissing genomen over bevorderen/afwijzen. Indien nodig, wordt er gestemd. Leidend daarbij is de vraag of docenten de leerling in staat achten succesvol te zijn op het gewenste niveau.

Aanvullende regels

Leerlingen in jaarlaag 1, zij-instromers en leerlingen die het jaar ervoor buiten de norm zijn bevorderd, hebben geen recht op doubleren. Wel zal er op de eindvergadering wordt besproken of doubleren toch zinvol is. Leidend daarbij is de vraag of docenten de leerling na doubleren in staat achten succesvol te zijn op het gewenste niveau.

In geval van zwaarwegende verzachtende omstandigheden, kan besloten worden de leerling buiten de norm te bespreken.

Leerjaar drie staat in het teken van de afronding van de basisvorming. Er wordt daarbij naar alle vakken gekeken, niet alleen naar de gekozen vakken in jaarlaag 4.

Doubleren of doorstroom op een lager niveau

Bij afwijzing op vwo-niveau, wordt besproken of doorstroom op havo-niveau mogelijk is. Leidend daarbij is de vraag of docenten de leerling voldoende voorbereid achten om succesvol te kunnen zijn.

Uitstroom

Wanneer doubleren én doorstroom op een lager niveau niet mogelijk is, zal de leerling uitstromen. De vergadering zal dan een advies voor vervolgonderwijs geven. Er is geen bevorderingsbewijs op vmbo of een ander schooltype mogelijk.

Opbouw schooljaar 1 h/v

Het doel van 1 h/v is om leerlingen kansen te geven naar boven te kijken (vwo), zonder dat de lat meteen te hoog wordt gelegd. We geven dit vorm door bij de start alle leerlingen vwo-niveau les te geven en te beoordelen op havo-niveau. Gedurende het jaar wordt door de docenten bekeken welke leerlingen voor hun vak op vwo-niveau beoordeeld kunnen worden.

Tot de eerste leerlingenbespreking (begin december)
Alle leerlingen krijgen op VWO-niveau les en worden op Havo niveau beoordeelt. De leerling geeft aan voor welk vak hij/zij op H of op V verder wil. Leerlingen met VWO-ambities raden we aan een significant aantal vakken te proberen.

Tot de tweede leerlingenbespreking (begin maart)
Leerlingen maken toetsen op het aangegeven niveau. Leerlingen geven aan de mentor aan welk plan ze voor de laatste periode hebben. De mentor adviseert n.a.v. de leerlingbespreking op welk niveau wij denken dat de leerling het best verder kan gaan.

Tot de eindvergadering (juli):
Een leerling volgt óf alle vakken op Havo niveau, óf alle vakken op VWO niveau. Er wordt vergaderd op basis van de voor hem/haar geldende overgangsnormering.

Overgangsnorm Universalis

In het concept van Universalis is verweven dat toetsen, en daarmee ook cijfers, een beperkte rol spelen. Het proces en de ontwikkeling van het kind en zijn vaardigheden zijn minstens zo belangrijk. Er is dan ook geen overgangsnormering gebaseerd op gemiddelde, tekort- en of compensatiepunten. Het uitgangspunt is dat leerlingen binnen Universalis een grote intrinsieke motivatie voor leren hebben en in staat zijn eventuele hiaten weg te werken. Toch kan er een situatie ontstaan waarbij het met een leerling niet goed genoeg gaat om zomaar over te gaan. Wat dan?

Er wordt minimaal drie keer per jaar met alle docenten vergaderd over de voortgang van de leerlingen. Hier wordt naar harde (cijfers) en minder harde criteria (vaardigheden, ontwikkeling, motivatie) gekeken. Wanneer er reden tot zorg is, zal dit met ouders en leerlingen worden besproken en zal er een verbeterplan worden opgesteld. Mocht dit plan niet leiden tot de gewenste verbeteringen en er gerede zorg blijven, dan kan de eindvergadering besluiten dat voortgang binnen Universalis niet mogelijk is. Er zal dan ook een uitspraak worden gedaan over wat het juiste vervolg wel is. Deze uitspraak is bindend.

Overgangsnorm bovenbouw

De overgangsregeling voor havo 4, vwo 4 en 5 is nagenoeg gelijk aan de slaag-/ zakregeling zoals die geldt voor de examenleerlingen. In de overgangsregeling tellen de vakken maatschappijleer, ckv en godsdienst niet mee.

Bevordering vindt plaats als voldaan is aan de volgende criteria: 

  1. maximaal 1 onvoldoende punt voor de kernvakken;
  2. max. drie onvoldoende punten bij maximaal 2 vakken (4, 4/5, 5/5)
  3. minimaal een 6,0 gemiddeld voor alle vakken (het gaat hier om afgeronde cijfers volgens de eindexamenregeling, i.e. 5,49 wordt een 5,0)  

(NB: een leerling wordt bevorderd bij een 5,0 en de rest 6,0) 

Bij voldoen aan alle drie de punten: bevorderd
Bij voldoen aan twee van de drie: bespreekzone
Bij voldoen aan 1 of minder: afgewezen.

Bespreekzone

Als een leerling cijfermatig in de bespreekzone zit, dan wordt de leerling besproken en wordt er een beslissing genomen over bevorderen/afwijzen. Indien nodig, wordt er gestemd. 

Doubleren

In het eerste leerjaar is het niet toegestaan te doubleren. Verder is het niet mogelijk tweemaal binnen hetzelfde leerjaar te doubleren. Ook is het niet toegestaan een leerjaar over te doen als men in het vorige leerjaar is blijven zitten. Dit geldt ook voor leerlingen die zijn blijven zitten in het vwo, afstromen (naar de havo) en vervolgens blijven zitten. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt dit doubleren wel toegestaan als een andere schoolsoort wordt gekozen. Leerlingen die van andere scholen naar het HLZ overstappen (zij-instromers) hebben geen recht op doubleren in het jaar van binnenkomst.

De slaag-/zakregeling

De slaag-/zakregeling is vastgelegd in artikel 45 van het Eindexamenbesluit. In de vernieuwde Tweede Fase hebben de vakken uit het profieldeel geen aparte positie meer in de slaag-/zakregeling. Bovendien geldt er een compensatieregeling.

De slaag-/zakregeling houdt onder meer in dat:

  • het rekenkundig gemiddelde van de cijfers voor het Centraal Schriftelijk Examen minimaal een voldoende (5.50) is en
  • er maximaal 1x 5 als eindcijfer (gemiddelde SE en CSE) is behaald voor de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde en
  • er 1x 5 is behaald en voor overige vakken 6 of hoger, of
  • er 1x 4, of 2x 5, of 1x 5 én 1x 4 is behaald en voor de overige vakken een 6 of hoger, waarbij het gemiddelde tenminste een 6.0 is.

Een havo-leerling heeft acht cijfers die meewegen in de slaag-/zakregeling: voor Nederlands, Engels, vier profielvakken, één vak in het vrije deel en een combinatiecijfer. Het gemiddeld cijfer van het CSE moet voldoende zijn. Een vwo-leerling heeft negen cijfers; dezelfde vakken als hierboven zijn genoemd en een tweede moderne vreemde taal. Deze acht – respectievelijk negen – cijfers bepalen of de leerling is geslaagd of gezakt. Het gemiddeld cijfer van het CSE moet voldoende zijn.

Een bijzondere bepaling regelt de rol van een extra vak. Artikel 48 lid 3 in het Eindexamenbesluit bepaalt dat een of meer eindcijfers van de vakken niet bij de bepaling van de definitieve uitslag worden betrokken, indien dat nodig is om de kandidaat te laten slagen. De overgebleven vakken dienen wel een eindexamen te vormen. De wetgever heeft hiermee willen regelen dat een leerling het diploma niet mag worden onthouden op grond van extra leerstof als de leerling voor het overige (een volledig eindexamen) wél aan de eisen heeft voldaan.

Artikel 48 lid 3 voorkomt dus dat een leerling zakt als gevolg van het resultaat behaald bij een extra vak. In de vernieuwde Tweede Fase is hierop één nadere bepaling. Vanaf het moment dat de eindcijfers zijn vastgesteld (ook de eindcijfers voor de onderdelen van het combinatiecijfer, zie het examenreglement) https://hlz.nl/examenreglement/?keyword=examenreglement en aan de IB-Groep in BRON zijn aangeleverd, kunnen deze gegevens niet meer worden gewijzigd. Eindcijfers van bijvoorbeeld godsdienst kunnen dus niet achteraf worden ‘ingetrokken’, ook al zijn het eigenlijk extra vakken. Overigens, ook als een vak niet betrokken wordt bij de uitslag, wordt dat vak wel vermeld op de cijferlijst, tenzij de leerling daar bedenkingen tegen heeft geuit (artikel 52 lid 3 van het Eindexamenbesluit).

Het combinatiecijfer maakt compensatie mogelijk in de slaag-/zakregeling van de Vernieuwde Tweede Fase. Het combinatiecijfer is het rekenkundig gemiddelde van de 'kleine vakken/onderdelen' die met een cijfer op de cijferlijst staan.

  1. Het combinatiecijfer bestaat uit godsdienst, maatschappijleer, ckv en het profielwerkstuk. De cijfers hiervoor worden apart vermeld op de cijferlijst.
  2. Elk vak telt even zwaar mee.
  3. Geen van de onderdelen mag lager zijn dan een 4.
  4. Het combinatiecijfer is het afgeronde cijfer volgens de Eindexamenregeling, i.e. 6,49 wordt een 6,0).

Doorstroom en zij-instroom van havo 5 naar vwo 5

Met ingang van 1 augustus 2019 is het mogelijk van havo naar vwo door te stromen zolang het vakkenpakket aansluit op de vervolgopleiding. Dit is ter beoordeling van de decaan, leerjaarcoördinator en afdelingsleider. Men moet er wel rekening mee houden dat wiskunde op het vwo in elk profiel verplicht is. Bovendien is op het vwo naast Engels een andere moderne vreemde taal verplicht.